Sommige verhalen zijn mooi. Sommige verhalen zijn belangrijk en moeten verteld worden. Andere verhalen zijn grappig.

Het verhaal dat ik jullie nu ga vertellen is episch.

Het gaat over een dapper klein volkje. Ongeveer één meter twintig groot. Ze komen voor in allerlei vormen en maten, en dat is precies wat onze sport zo mooi en inclusief maakt. Klein, groot, snel, dromerig, stoer, gevoelig, druk, stil, lenig, onhandig, alles door elkaar. Zolang je maar wilt rennen, vallen, opstaan en weer doorgaan, hoor je erbij.

Ze heten Turven.

Een uitstekende naam, want ze zijn inderdaad maar een paar turf hoog. Laag bij de grond. Maar vergis je niet: in die kleine lijven zit een strijdlust van jewelste. Ze lijken geen angst te kennen en kunnen putten uit een energiebron die voor gewone stervelingen onbegrijpelijk is. Zelfs tussen de wedstrijden door zijn ze nog aan het ravotten.

Waar volwassenen even gaan zitten, gaan Turven door.

Turven zijn realistisch gezien nog niet altijd heel erg bezig met waar ze zich precies bevinden in de ruimte. Ze staan op een kluitje. Ze lopen soms de verkeerde kant op. Ze hebben een korte focus. Vooruitplannen is ingewikkeld. Overzicht ook. Diepte inschatten is nog geen kernkwaliteit. Ze gaan gewoon door tot ze vastlopen. En pas daarna kijken ze om zich heen.

Na een pass, tag of try blijven ze soms even “uit” staan. Alsof het systeem opnieuw moet opstarten. Ze hebben grote emoties. Ze willen graag zelf scoren. Zelf de bal hebben. Zelf de held zijn. Maar ze kunnen ook enorm trots zijn als “wij” iets lukt. En dat beginnende teamgevoel is goud waard.

Oorzaak en gevolg zijn nog geen vaste vrienden. Maar dat is precies hun kracht.

Ze hebben geen angst voor chaos. Waar volwassenen structuur zoeken, duiken zij gewoon het spel in. Chaos is voor hen geen probleem, maar een avontuur. Ze hoeven het spel niet eerst helemaal te begrijpen. Ze proberen, botsen, lachen, rennen en leren onderweg. Ze passen zich razendsnel aan. Ze kunnen uit het niets versnellen, sprinten, springen, rollen en weer opstaan. Vol overgave.

Plezier is hun brandstof.

Ze durven te proberen. Ze hebben fantasie op het veld. Ze vallen aan op instinct. Ze zijn eerlijk enthousiast. Ze vieren kleine dingen groots.

En misschien wel hun grootste superkracht: ze vergeten snel.

Een fout blijft niet hangen. Geen analyse, geen zelfkritiek, geen schaamte. Gewoon opnieuw beginnen.

Turven zijn geweldenaars met superkrachten.

Hun verhaal begon drie weken geleden op het beachrugbytoernooi in Hoek van Holland. Daar speelden ze een voortreffelijk toernooi, om er vervolgens in de finale tegen Te Werve keihard af te gaan. Hun sterspeelster liep dwars door ons heen. Onze heren waren mogelijk wat van slag van het badpak waarin zij speelde en waren opvallend terughoudend in het pakken van haar tags.

Dat kan.

Ook dat is ontwikkeling.

Ze waren verbouwereerd. Overlopen na zo’n mooi toernooi. Tweede.

Daarna kwam Dom City. Ook daar was de emotie hoog. De ref besloot dat wij niet met 5-4 hadden gewonnen, maar dat het gelijkspel was. Er volgde een zenuwslopende twintig minuten op jacht naar de golden try. Het geluk viel de andere kant op.

Weer tweede.

Dat besef dreunde hard bij ze binnen. Grote emoties. Dikke tranen. En eerlijk gezegd: die tranen waren ook mooi. Niet omdat verliezen leuk is, want dat is het niet. Zeker niet als je een Turf bent en er een beker te winnen viel. Maar omdat sport precies dit is.

Blijdschap, teleurstelling, strijd, hoop, balen, opnieuw proberen. Verliezen is soms een harde les, maar ook een waardevolle. Je leert dat iets pijn kan doen en dat je toch weer opstaat. Dat karakter niet alleen groeit als je wint, maar misschien juist ook op de momenten dat het net niet lukt.

We coachen niet op winnen. Zeer zeker niet.

Ze zijn namelijk al competitief genoeg van zichzelf. Willen winnen kun je rustig aan Turven overlaten. Er zijn immers vette prijzen. Bekers. Medailles. Dingen die blinken. Dingen die je boven je hoofd kunt houden alsof je net de Six Nations hebt gewonnen.

En toen kwam dit toernooi bij The Dukes in ’s-Hertogenbosch. Drie keer is scheepsrecht.

De coaches wilden de finale niet jinxen. Onmogelijk toch, drie keer tweede worden? Onbestaanbaar. Maar ja, DIOK was goed. Ze speelden snel, georganiseerd en met mooie offloads. Aan de overkant stonden bovendien rugbyende vaders van DIOK. Dat imponeert toch.

De andere ouders stonden gespannen te kijken.

Als coach heb je bijna geen werk aan Turven. Niet omdat er niets te doen is, maar omdat schreeuwen geen zin heeft. Ze horen je toch niet. Ze gaan te veel op in hun spel. Je kunt “breedte!” roepen, maar als drie Turven op dat moment gezamenlijk hebben besloten dat precies hetzelfde gaatje de kortste route naar glorie is, dan gaan ze door dat gaatje.

Of ze blijven erin steken.

En dan leren ze daar weer iets van.

Coach Lieke stond erbij als een soort zenboeddhist. Vertrouwen uit te stralen naar haar Turven. Ze overzag haar pupillen, zag de chaos, zag de strijd, zag het kleine rugbyvolk over het veld trekken en zag dat het goed was.

Want dit keer vielen de tags. Dit keer werd er doorgelopen. Dit keer werd er verdedigd alsof er thuis geen schermtijd meer bestond als er niet gewonnen werd. Dit keer stonden de Turven op.

Niet keurig. Niet altijd logisch. Niet volgens een tactisch plan dat je op een whiteboard zou durven zetten.

Maar wel met alles wat ze hadden.

Het werd 5-5. Gelijkspel was genoeg voor ons. Omdat we in de winnaarspool zaten en de andere wedstrijd met één try meer hadden gewonnen, waren we winnaar van de winnaarspool. Dus winnaar van het toernooi.

Dachten wij.

Toen kwamen de refs. Cubs (U14). Petje af, jongens. Op een vrije dag stonden zij daar toch maar mooi te fluiten én duidelijk de leiding te nemen. De refs waren onverbiddelijk: ‘een finale eindigt niet in een gelijkspel’. Dus moest er worden doorgespeeld.

Golden try.

Weer een golden try.

Dit was ondraaglijk voor ouders en coaches. De spanning was te snijden. Dit kon twee kanten op vallen. Eén moment. Eén gaatje. Eén tag die wel of niet gepakt werd. Eén Turf die per ongeluk of expres precies de goede kant op rende.

RCD moest drie keer scoren voordat de try uiteindelijk werd goedgekeurd. Drie keer.

Dat is voor volwassenen al veel. Voor ouders langs de lijn is dat medisch eigenlijk onverantwoord. Maar uiteindelijk was het zover. De try werd goedgekeurd.

En de Turven wonnen.

Deze overwinning hebben ze dik, dik en dik verdiend.

Want Turven zijn geweldige mensen. Je moet goed voor ze zorgen. Je moet ze veel complimentjes geven, want daar groeien ze van. Je moet ze hier en daar begrenzen, want anders groeien ze over je heen. Je moet ze laten rennen, laten proberen, laten botsen, laten lachen en soms laten huilen.

En als je dat doet, zijn ze tot grootse dingen in staat.

Een dapper klein volkje, een paar turf hoog, nam de gouden beker mee naar Delft. Klein van stuk.

Groot in strijd.

Kampioenen.

Ovale groet van trotse Turven-trainers.

Foto’s gemaakt door Aardewijn van den Berg